De brieven van de doden lezen we als hulpeloze goden,
goden niettemin - omdat wij van later datum zijn.
Wij weten welk geld niet werd teruggegeven.
Met wie de weduwen overhaast in het huwelijk traden.
Arme doden, blind geslagen doden,
steeds bedrogen, falend, stuntelig in hun zorgzaamheid.
We zien het gegrijns en de tekens achter hun rug.
En onze oren horen het geristel van verscheurde testamenten.
Komisch zitten ze voor ons, als op beboterde broodjes,
of rennen als bezeten om hun afgewaaide hoed te vangen.
Hun slechte smaak, Napoleon, elektriciteit en stoom,
hun dodelijke kuren voor geneeslijke ziekten,
hun dwaze Apocalyps naar Johannes,
hun valse paradijs op aarde naa Jean-Jacques...
Zwijgend observeren we hun pionnnen op het schaakbord,
zij het dat ze nu drie velden verder staan.
Al wat zij voorzagen, is heel anders uitgevallen,
of een beetje anders en dus ook heel anders.
De vurigsten van hen zien ons vol vertrouwen in de ogen:
uit hun berekeningen bleek dat ze daarin de volmaaktheid zouden schouwen.
(vertaald door Gerard Rasch)