Aan alles onttrekken wij ons, niet aan 't verwijt
Dat we ontrouwen zijn en eervergeetnen;
Maar kunnen wij ons vrijwillig keetnen
Waarom zooveel verten wachten, zoo wijd?
De nijveraars heeten onze dwazen, verblinden,
En voorspellen: het zal ons berouwen
Dat wij op zeeën en bosschen en winden
Als vrienden en eeuwige vreugde vertrouwen.
't Is waar dat wij roekloos de krachten verspillen
Waaruit zij een veilig leven maken;
Zij noemen ons droomers, maar wij waken
Over andere belangen en willen
Ons niets dat wereldsch is laten verbergen
Zoover als de zeeën de landen kussen,
De gedaanteverwissling van planten, bergen
En de glanzen en geuren daartusschen
Mede te leven, gespannen te trillen,
Geen lichtflits, geen golfslag ons laten ontgaan,
Zoo van ons trage gestaltnis ontdaan
Dat we eindlijk in niets meer van hen verschillen.
De andren gelooven zich het leven te wijden,
maar scheiden zich er, al wroetend, van af;
Zij denken zich lusthovens te bereiden,
Maar delven zich dagelijks dieper een graf.
Doch 't einde is hen licht: voor wanhoop gevoelloos
Maakt hen het gezin, in welks schoot zij sterven;
ons wacht geen genademiddel: doelloos
Vergaan wij als wij niet meer kunnen zwerven
En kunnen nimmer vinden die even
Vaderlandsloos zijn om saam mee te wachten;
Wij komen misschien waar zij kort verbleven
Of gaan voorbij waar ze onzichtbaar smachten.
En dan wordt een stad ons toekomstig sterfoord,
In de woestijnen was het niet eenzamer,
Wij kunnen niet heen, denken daaglijks aan zelfmoord,
Maar veroudren in onverschillige kamer.
Vaak dwalen wij langs het aanlokkelijk water,
Waakzaam in een vaag ochtenduur,
Of hunkren met een kleumenden kater
Slapeloos bij een uitgaand vuur.
De dag verschrikt ons, van een terras
Slaan wij 't voorbijgaan wezenloos gade,
als waren wij van een verloren ras,
Wij blaadren in boeken aan de kaden.
Soms schenkt in ' t laatste van den avond
Het toeval ons nog een vage vrouw,
Wij nemen het met geluk niet zoo nauw,
Voor liefdestormen te zeer gehavend.
Van al het schoon, weleer zwervend verworven,
Kunnen wij niets aan ' t hart zoo vast drukken
Dat de dood het ons niet kan ontrukken;
Lang voor zijn komst zijn wij steenarm gestorven.