Tragacanthgom is een middel met een enorme bindkracht: het bindt twee keer zo sterk als Arabische gom. het wordt tegenwoordig nog steeds in de voedselindustrie gebruikt, ook wel onder de naam E413. Zowel Arabische gom als tragacanthgom kunnen gebruikt worden als emulgator (een stof die helpt bij het mengen van twee stoffen die anders niet of moeilijk te mengen zijn, bijvoorbeeld vet en water).
Ten tijde van de Bataafse Republiek (1795-1806) wordt gestreefd naar het gelijktrekken van de plaatselijke famacopees en wordt een nationale commissie van geleerden ingesteld die een farmacopee voor het hele land moet vaststellen op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten. Pas op dat moment verdwijnen ingrediënten waarvan in de loop van de achttiende eeuw al was aangetoond dat ze geen geneeskracxhtige werking hadden uit de famacopee. De vermeende geneeskrachtige werking van onder meer parels, koraal, edelstenen en bolusaarde wordt daarmee naar het rijk der fabelen verwezen, al suggereren sommige mensen vandaag de dag nog steeds iets anders.
Het woord salmiak is een verbastering van sal ammoniac oftewel ammoniakzout, een relatief zeldzaam natuurlijk mineraal dat onder meer voorkomt rondom vulkaankraters. Het heeft als groot voordeel dat het zout smaakt, maar in tegenstelling tot gewoon zout niet bloeddrukverhogend werkt. Drop verhoogt weliswaar de bloeddruk, maar dat komt door het van nature in zoethout aanwezige glycyrrhizinezuur, neit door andere ingrediënten. Zoete drop is dus in principe even bloeddrukverhogend als zoute salmiakdrop.
Met de oprichting in 1876 van Klene en in 1878 van Van Voornveld, de voorloper van Venco, verschijnen dan toch de eerste 'moderne' Nederlandse dropmerken op de markt. In het laatste kwart van de negentiende eeuw neemt het aantal dropsoorten gestaag toe, al zouden we sommige van die varianten nu niet meer als drop herkennen. Griotten, jujubes, witte drop, salmiak- en katjesdrop veroveren de harten van Nederlandse consumenten, groot en klein.
Het Franse zoethout verdwijnt voornamelijk in lokale dropproducten van de firma's ZAN en Cachou Lajaunie (zie ook hoofdstuk 2), en na het verbod op absint in 1915, in gemacereerde steranijs-zoethout-likeuren (pastis) zoals Ricard. Die moeten anno nu volgens Europese regelgeving nog steeds verplicht tussen de 0.05 en 0,5 gram glycyrrhizinezuur uit zoethout per liter bevatten. Ook is er een groeiende vraag naar droppoeder vanuit de tabaksindustrie, want door de toevoeging van smaakstoffen wordt de tabak minder scherp en dus populairder. Bovendien neemt de vraag naar sigaretten begin twintigste eeuw alleen maar verder toe - en dus ook de vraag naar zoethout.
De biochemie van planten bood veel nieuwe mogelijkheden. In de jaren dertig werd bijvoorbeeld door biochemici verkennend onderzoek gedaan naar glycosiden en flavonoïden. Glycosiden zijn suikers in planten die aan een niet-suiker gebonden zijn en vaak een fysiologische of farmacologische werking hebben. Denk bijvoorbeeld aan glucose, ook wel bekend als druivensuiker, dat de belangrijkste brandstof is voor dieren (en dus voor mensen). Flavonoïden zijn stikstofvrije organische verbindingen, die veel in planten voorkomen en vaak gebonden zijn aan een glycoside. Ze kunnen een antioxidante, ontstekingsremmende of antivirale werking hebben, en zijn dus heel interessant voor de geneeskunde.
Naar verluidt ontstond Engelse drop (in Engeland 'liquorice allsorts' genoemd) in 1899 toen een verkoper van de zoetwarenfabrikant Basset & Co. struikelde met een presenteerblad met daarop drop en fruit-, kokos- en anijsgums. Volgens de niet te verifiëren overlevering was de aanwezig inkoper zo gecharmeerd van deze mix dat Bassett & Co. laagjes drop met het andere sneop in één snoepje begon te combineren en in een bontgekleurde mix op de markt bracht.
[Zoethout is al intens zoet, toevoeging van suiker maakt drop niet zoeter, maar minder intens]
Na de oorlog moet Nederland letterlijk en figuurlijk weer opgebouwd worden. De gebombardeerde steden en infrastructuur moeten worden gerepareerd, net als het verwoeste zelfbeeld van de Nederlandse bevolking. De snelgroeiende bevolking moet gehuisvest en gevoed worden, en tegelijkertijd is het hard nodig om het gevoel van een gemeenschappelijke, nationale identiteit te versterken. Het is dus niet verrassend dat juist in deze periode, de wederopbouw, dropproducenten in Nederland voor het eerst hun waren expliciet aan nationale identiteit beginnen te koppelen.
Zo zien we in reclamemateriaal uit de vermoedelijk de vroege jaren '50 dat Atlas menthol droppastilles worden aangeprezen met de woorden 'tegen normale prijs en van vooroorlogse kwaliteit!' en 'gelijkwaardig aan het beste buitenlandse product!' Het benadrukken van kwaliteit in combinatie met de Nederlandse oorsprong en 'bevrijdende' aard van de producten in het reclamemateriaal is een slimme zet in een land dat amper bekomen is van het geweld en de tekorten van de oorlog.
Wat Nieman doet wordt door cultureel antropologen en historici ook wel 'vererfgoedisering' genoemd. Vererfgoedisering is een concept dat gebruikt wordt om het fenomeen te beschrijven waarbij bepaalde objecten, gewoonten of voedingsproducten worden aangewezen als typisch voor een land of regio, vaak door een commerciële partij die meer producten wil verkopen, terwijl er geen feitelijke historische bewijzen zijn voor die claim. Het is, kortom, de constructie van een verhaal dat strategisch gebruikt kan wroden voor politieke, economische of ideologische doeleinden.
Dat de naam [kokindjes] was ontstaan nadat een medewerker met de naam Ko wat 'mislukte' dropjes mee naar huis nam voor zijn kinderen, die er zeer enthousiast over waren: de kokindjes waren geboren.
Opvallend is dat kokindjes met hun zachte binnenkant en stevige buitenkant, relatief hoge zoethoutpercentage (8.7%) en toevoeging van smaakextracten van kamille, gentiaan en salie qua receptuur en textuur van alle tegenwoordig in de supermarkt verkrijgbare drop het dichtst in de buurt komen van de drop naar achttiende-eeuws recept [...] Interessant is ook dat het woord "kokinje" al in 1710 in het Nederlands voorkomt, in de betekenis van gesmolten suiker als lekkernij.
Een ander bekend voorbeeld uit die periode is televisiereclame waarin een jongetje een gaatje in een dijk ontdekt. Hij overweegt even om één van zijn dropjes in het gat te stoppen, maar besluit dan dat hij beter zijn ene hand kan gebruiken om het gat dicht te houden en de andere om zijn dropjes op te eten. Het is overduidelijk een referentie aan het verhaal van Hansje Brinker, het jongetje dat een dijkdoorbraak voorkwam door zijn vinger in een gat in de dijk te stoppen. Ironisch genoeg is de oorsprong van dat verhaal Amerikaans en is het jongetje in de originele versie niet Hans Brinker zelf, maar een naamloze sluiswachterszoon: het werd in 1886 bedacht door de Amerikaanse schrijver Mary Mapes Dodge voor haar folkloristische jeugdboek Hans Brinker and the Silver Skates. Mapes Dodge is nooit in Nederland geweest. Ze liet zich inspireren door verhalen van haar buren, Nederlandse immigraten, en voor dit specifieke verhaal door een verhaal van de Franse kinderboekschrijver Eugénie Foa (1796-1852) uit 1848. Een sterk staaltje vererfgoedisering dus.