‘Vind je? Heb je niet een paar keer moeten giechelen? Kon er geen schamper lachje af? Mijn meesters zijn over het algemeen grimmig: ik houd van het proza van Evelyn Waugh en van de gedichten van de jonge Henri Michaux. Dramatische verzen, daar draaien we onze hand niet voor om. Maar om de lach te hanteren moet je van goeden huize komen.’
Ik heb gestreefd naar poëzie die krakkemikkig én lichtvoetig is. Dat is zowat het moeilijkste dat er is, je krijgt het niet in de schoot geworpen: om het lichte te ambiëren, moet je toch eerst de wereld en zijn hinderlagen een beetje gefrequenteerd hebben.
Is het de lichtheid van Mozart die je nastreeft of die van Satie?
‘Mozart – helaas. Ik geef toe: het is niet bijster origineel. Maar Satie is toch eerder sarcasme dan ironie. Ironie is van de geest, van de intelligentie. Sarcasme is gewoon pure razernij: hou me tegen! Als je die twee samenvoegt, krijg je misschien iets wat af en toe opdoemt in mijn bundel
Wat is je favoriete moment van de dag?
‘Drie of vier uur ’s ochtends. Ik herken dat bij Scott Fitzgerald: in a real dark night of the soul it is always three o’clock in the morning, day after day. De wereld verandert van licht en van kleur. Je bent te opgewonden om in te slapen en te moe om te neuken, dat doe je straks wel. Je bereidt je voor op de verandering, maar ineens is het voorbij zonder dat je ingegrepen hebt. Je weet niet eens of je er wel bent. Een van de meest leesbare Franse filosofen vind ik Baudrillard, die beweert dat we niet bestaan: nous sommes des simulacres. Ik heb ooit eens een gesprek met hem gehad voor de televisie en ik had de neiging dat op zijn Chinees af te handelen, namelijk door hem een enorme klap te geven – dat leek mij de beste manier om erachter te komen of hij gelijk had.’
Waarom doet een mens zichzelf dat aan?
‘Ik weet het niet. Ik had natuurlijk al twintig jaar met twee callgirls in de zon kunnen liggen aan de Côte d’Azur. Word ik beter van mijn geschrijf? Wil ik echt, zoals Harry Mulisch, proberen de eeuwigheid te bereiken? Nee natuurlijk, want de essentie van de eeuwigheid is precies dat het nooit ophoudt. Niemand kan zo dwaas zijn te geloven dat hij over 322.000 jaren nog gelezen wordt. Forget it! Zou ik, zoals Harry, willen dat op de achterflap van een van mijn boeken een citaat uit The New York Times staat, waarin mijn wereldbeeld vergeleken wordt met dat van Aristoteles en Hegel? Ik héb niet eens een wereldbeeld. En ik word ook niet wanhopig door het feit dat ik zo hulpeloos ben, in dit stadium van mijn leven.’
Heb je wel eens vlagen van melancholie?
‘Nee. Daar ben ik toch teveel een kruidenier en een West-Vlaming voor: het is verloren tijd. Melancholie moet je beschouwen als een mooi instrument dat je als dichter ter beschikking staat, als een cello bijvoorbeeld. Maar je moet er niet in zwelgen. Het is een onbestemd gevoel, zoals de saudade in de Portugese fado, dat je naar believen kunt oproepen, in tegenstelling tot angst, die je overvalt en waar je niets over te zeggen hebt.’
Nogal wat schrijvers voelen zich gemankeerde componisten. Om met Jeroen Brouwers te spreken: ‘De muziek is de adelaar onder de kunsten, de literatuur de mus.’
‘De mus? De pinguïn zal hij bedoelen! Natuurlijk kan een gedicht niet zonder klank en ritme. Maar dat muziek de hoogste kunstvorm zou zijn, hoor ik al veertig jaar. Terwijl ik me net zo goed kan voorstellen dat een mathematicus in tranen uitbarst bij een wiskundige formule, gewoon omdat iets zo onweerlegbaar, zo onweerstaanbaar vastligt.’
Hoe stel je je de dood voor?
‘Als een meisje in zwart ondergoed? Er moet een beetje lol aan te beleven zijn. In ieder geval niet als een geraamte in pyjama, dat is iets voor symbolistische schilders. In mijn gedichten ondergaat hij nogal wat gedaanteverwisselingen. De dood is een kinderziekte natuurlijk, hij komt hoe dan ook altijd te vroeg. Maar het heeft weinig zin in een hoekje te staan blèren. In mijn bundel schrijf ik ergens: er zijn nog zoveel wachtenden voor u.’