Op een dag was het zover.
Ik besloot haar eindelijk eens op te zoeken.
Haar gieren deden mij peinzend open.
Haar honden gingen mij voor naar haar vertrekken,
de sporen van hun tanden in mijn been.
Haar slangen schonken mij een kopje thee in,
met een wolkje melk, en roerden het om met hun tongen.
Haar slakken likten mijn mondhoeken schoon.
Zij was er niet, zij was zojuist vertrokken,
zei haar hyena, huilend in mijn nek.
En zij komt nooit meer terug,
zei haar spin, de aanzet tot een web
reeds strak gespannen om mij heen.